
Ik heb een lezing gekozen uit Jesaja. Toen ik die herlas, moest ik bekennen dat ik toch wel spijt kreeg van mijn keuze. Vooral de woorden: ‘Ik vorm het licht en schep de duisternis, Ik breng vrede en onheil’ vond ik toch wel moeilijke woorden om te verwerken. Onlangs had ik hierover een gesprek met een dierbare vriend. De toon van dat gesprek maakte toch wel duidelijk wat een gevoelig onderwerp het is om te spreken over God.
Wij zijn gewend om woorden uit te leggen als wiskunde, een soort zwart-wit. Maar spreken over God is eigenlijk een vorm van poëzie. Je mag het beluisteren als een lied dat steeds nieuwe vergezichten opent, zoals mijn reis vanochtend hiernaartoe, en dat ons langzaam het mysterie wil laten ontdekken. God is een heel diep mysterie; goed en kwaad, licht en donker evenzo.
Ik heb verschillende vertalingen bekeken. Soms staat er niet onheil maar kwaad. Toch spreekt onheil mij meer aan. Er gebeurt immers veel in ons leven waarvoor niemand verantwoordelijk is. Verdriet, verlies en kwetsbaarheid horen bij het mens-zijn. En ik denk weleens: we mogen ook wel leren wat meer verdrietig te zijn. Dat is de kunst – het leren dragen van verdriet, er naar luisteren. Dat hoor ik ook in de woorden van Etty Hillesum, die we straks zullen lezen.
De tekst van Jesaja ontstaat in een tijd van bevrijding tussen 600 en 500 voor Christus. Koning Cyrus maakt een einde aan het Babylonische Rijk en sticht het Perzische Rijk. Hij liet de Joden terugkeren naar hun eigen land en traditie. Cyrus stond bekend om zijn grote religieuze en culturele tolerantie zijn denken was geworteld in de leer van Zarathustra, die al eeuwen eerder had geleefd. Daarover is een mooi boek over geschreven door een Iraanse schrijver die nu in Nederland woont – Kader Abdolah. Je leest daarin hoe die oude culturen al duizenden jaren vóór Christus in beweging waren in het gebied van de Vruchtbare Halve Maan: Iran, Egypte, Palestina. Al die gebieden stonden met elkaar in verbinding. De steppevolken trokken daar rond, en ook de spiritualiteit was voortdurend in beweging.
In de spiritualiteit van Zarathustra zijn er, voor zover ik het goed begrijp, twee goden: een god van het goede en een god van het kwade. Maar Jesaja zegt: er zijn niet twee machten, één van licht en één van duisternis, maar één God die aanwezig is in heel ons bestaan. Dat vind ik troostrijk. Het betekent dat licht en duisternis geen twee gescheiden werkelijkheden zijn. Ook in onze pijn, onze gewondheid en ons verdriet kan iets van een mysterie verborgen liggen. Zoals Christus zijn wonden laat aanraken, zo worden ook wij uitgenodigd onze eigen gewondheid aan te raken.
Ik heb ook een fossiel meegenomen. Een levend wezen dat gekristalliseerd is. Deze is nog relatief jong: slechts 170 miljoen jaar oud. Thuis heb ik er nog een van 400 miljoen jaar. Dat geeft aan dat er hier iets is wat we niet kunnen bevatten – de stroom van de tijd, van licht en schaduw. De fossiel verbeeldt het onbegrijpelijke waar ik u in deze viering in mee wil nemen. Daarom nodig ik u uit om deze woorden van te lezen als een mysterie. Misschien ontdekt u daarin iets van uw eigen leven, Van licht én schaduw, en van de verborgen aanwezigheid die beide omvat.
Jesaja 45, 6-12
Van oost tot west zal iedereen weten dat er behalve Mij geen God is. Alleen Ik ben God, en niemand anders. Alleen Ik maak het licht en de duisternis. Alleen Ik breng vrede en onheil. Ik, God, ben het die dat doet. Hemel, laat rechtvaardigheid neerdruppelen als de dauw. Wolken, laat rechtvaardigheid neerstromen als de regen. Aarde, doe je mond open, zodat goedheid ontkiemt en rechtvaardigheid daaruit opgroeit. Ik, God, heb dit gedaan.”
God hoeft aan niemand uit te leggen waarom God iets doet. God zegt: “Het zal slecht aflopen met de mensen die ruzie zoeken met hun Maker. Ze zijn maar als een potscherf tussen andere scherven. Durft soms de klei tegen de pottenbakker te zeggen: ‘Wat maak je?’ Of durft de pot die de pottenbakker gemaakt heeft soms van zijn maker te zeggen: ‘God kan er niets van!’? Je kan ook niet tegen je vader zeggen: ‘Waarom heeft u mij gemaakt?’ Of tegen je moeder: ‘Waarom heeft u mij op de wereld gezet?’ Volk van Israël, Ik ben jullie Maker. Ik ben jullie Heilige God. Durven jullie Mij te vragen wat Ik ga doen? Durven jullie Mij te zeggen wat Ik moet doen met het volk dat Ik gemaakt heb? Ik heb de aarde gemaakt en de mensen die daarop wonen. Ik heb dat gedaan. Mijn handen hebben de hemel gemaakt. Ik heb de zon, de maan en de sterren bevolen hoe ze moeten gaan.
Johannes 20, 26b-29
Jezus kwam in hun midden staan. ‘Vrede zij met jullie!’ zei Hij, en daarna richtte Hij zich tot Tomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’ Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je Me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.
Etty Hillesum
‘Hineinhorchen’, ik wilde dat ik daar een goede uitdrukking voor kon vinden. Eigenlijk is mijn leven één voortdurend ‘hineinhorchen’ in mijzelf, in anderen, in God. En als ik zeg dat ik ‘hinein horch’, dan is het eigenlijk God die in mij ‘hinein horcht’. Het wezenlijkste en diepste in mij dat luistert naar het wezenlijkste en diepste in de ander. God tot God.
‘Vorwegnehmen’. Ik weet hier geen goed woord voor. Zoals ik hier nu lig, sinds gisterenavond, verwerk ik vast een beetje van het vele lijden dat er over de hele wereld verwerkt moet worden. Ik breng vast een beetje van het lijden van de komende winter onderdak. In een keer gaat dat toch niet. Het wordt een zware dag voor me vandaag. Ik blijf maar stil liggen en ‘nehme’ iets ‘vorweg’ van alle zware dagen die er nog komen zullen.
Overweging
Er zijn zinnen in de Schrift die niet op afstand blijven, maar dichtbij komen, alsof ze onze naam noemen. Vandaag horen we zo’n zin: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij.’ Tomas wil de wonden aanraken, omdat juist waar het leven gewond is, wij het meest naar betekenis zoeken. Het is immers onbegrijpelijk dat in verdriet, leegte en donkerte ook betekenis ontvangen mag worden.
Christus’ verrijzenis heeft de wonden niet weggenomen; ze blijven zichtbaar en worden zelfs de ruimte van herkenning. Alsof Christus ons wil laten voelen dat wij onze eigen wonden niet hoeven te verbergen. Wanneer wij durven blijven bij wat pijn doet, bij wat niet opgelost is, bij verdriet en bij verlies, kan zich iets van het mysterie van de liefde openen. Ook al willen we eigenlijk de pijn niet dragen. Dat vraagt om vertrouwen. Om wachten. Om te geloven in wat wij nog niet kunnen zien.
Vandaag horen we ook de woorden van de profeet Jesaja: ‘Ik maak het licht en de duisternis. Ik breng vrede en onheil.’ Dat zijn woorden die ons kunnen verontrusten. Wij verlangen immers naar een God die alleen licht brengt en niet de duisternis kent. Maar Jesaja spreekt over één God, die ook aanwezig is in de verwarring van ons bestaan, in de vragen waarop geen antwoord komt en in de nacht waarin wij de weg niet meer zien.
Hij vergelijkt ons met klei in de handen van een boetseerder. Wij hoeven niet de schepper van onszelf te zijn. Er is een Boetseerder die ons vormt en die de klei nooit loslaat, ook niet wanneer het donker is.
Dat helpt misschien ook om anders naar de geschiedenis van de wereld te kijken. Er is veel donkerte in de wereld, en het doet ons verdriet. Hoe kan dat ooit goed komen? Maar de geschiedenis draagt tegelijk een veel groter mysterie, een beweging die al miljoenen jaren het leven vormt. Ons denken reikt nauwelijks tot zulke diepten van tijd.
Daarom heb ik een ammoniet meegenomen van miljoenen jaren oud. Ooit was het een levend wezen, een inktvis in een schelp; door de tijd heen is het langzaam versteend en uitgekristalliseerd. Elk versteend segment van de schelp draagt een eigen tekening, een eigen kleur, een eigen kristalstructuur. De spiraal herinnert aan een beweging naar binnen, aan een langzaam proces van verinnerlijking. Elk kristal vertelt iets van een proces dat zich voltrok buiten het oog van mensen. Misschien is dat ook een beeld van ons eigen leven. Wij zien vaak alleen de breuklijnen, de wonden en de vragen waarop geen antwoord komt. Maar in een diepere tijd, die wij niet kunnen meten, voltrekt zich een beweging van omvorming. Het beeld van God dat in ons leeft, kristalliseert langzaam uit. Door een leven waarin licht en schaduw, vreugde en verdriet, geduldig met elkaar worden verweven.
Misschien is dat wat wij mogen leren van Etty Hillesum. Zij schrijft dat haar leven één voortdurend luisteren is: luisteren naar binnen, naar de ander en naar God. Alsof God in ons luistert. En terwijl zij stil ligt, draagt zij alvast iets van het lijden dat nog komen zal. Niet omdat zij het begrijpt, maar omdat zij blijft luisteren en zich toevertrouwt aan een werkelijkheid die groter is dan wijzelf. En terwijl zij stil ligt, draagt zij alvast iets van het lijden dat nog komen zal.
Misschien is dat waarom Christus ons zijn wonden laat aanraken: niet om het lijden te verklaren, maar om ons te laten voelen dat de ene God aanwezig is in licht én duisternis. In onze geschiedenis, onze wonden en onze vragen werkt een verborgen kracht. Ten diepste worden wij gedragen door een oorsprong die wij niet kennen en komen we tot voltooiing op een wijze die wij niet kunnen begrijpen.
Moge wij het zachte licht ontvangen om onze wonden niet te verbergen, maar aan te laten raken, en ze met vertrouwen toe te vertrouwen aan de hand van de Boetseerder, die ook in de donkerte zijn scheppende werk niet loslaat.
Moge het zo zijn.
